| |


|
Verdediging
Aeoliden hergebruiken de netelcellen van hun prooi
De meeste aeoliden voeden zich met neteldieren zoals poliepen, anemonen, kwallen en koralen. Neteldieren beschikken over een groot aantal kleine, zeer gecompliceerde netelcellen (nematocysten), waarmee ze zich kunnen verdedigen. In tegenstelling tot de rest van het dier worden deze netelcellen niet door de naaktslak verteerd. Ze worden via het spijsverteringskanaaltje, dat zich in het midden van de cerata bevindt, naar het uiteinden van de cerata geduwd. Net onder de tip bevindt zich een klein zakje waarin de netelcellen opgestapeld worden. Deze holte wordt cnidosac genoemd. In de cnidosac behouden de netelcellen hun volledige functie om te ontladen en ze zijn zo gericht dat hun draadjes afgevuurd worden doorheen de epidermis. De nematocysten worden voorzien van een voedende omgeving, en onvolwassen nematocysten zullen volgroeien in de cnidosac. Oude nematocysten, die niet meer in staat zijn om het vuur te openen, worden uitgescheiden via de epidermis. Wanneer de naaktslak nu bedreigd wordt zullen de nematocysten ontladen worden, de aanvaller zal geneteld worden en geen zin meer hebben om de naaktslak op te eten. Daardoor worden aeoliden door relatief weinig dieren opgegeten. De prooi van een aeolide zorgt dus niet alleen voor voedsel, maar ook voor bescherming, in de vorm van netelcellen. |
|