| aposematisch: |
opvallend gekleurd met waarschuwende functie (b.v. ik ben giftig, ik smaak vies) |
| |
| autotomie: |
het vermogen van sommige dieren lichaamsdelen af te werpen als ze worden aangevallen of vastgehouden |
| |
| carotenoïden: |
een omvangrijke groep van gele tot roodachtige kleurstoffen in planten en dieren voorbeelden: de kleur van eigeel en de kleur van een kuikentje |
| |
| caruncula: |
een vlezige naakte uitgroei |
| |
| caryophyllidia: |
knobbeltjes met een serie van uitstekende spicules, ze hebben tastfuncties, en hebben niets te maken met de ademhalingsfunctie |
| |
| cerata: |
rugpapillen |
| |
| cnidosac: |
een kleine holte in de punt van de cerata om nematocysten in op te slaan |
| |
| digestive gland: |
spijsverteringsklier |
| |
| epidermis: |
opperhuid |
| |
| eulitorale zone: |
de zone tussen springtij-hoogwater en springtij-laagwater |
| |
| hartzakje: |
een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje, waarin het hart zich bevindt |
| |
| holotype: |
een exemplaar van een dier (of een deel van een dier) dat dient als type, dus om een formele zoölogische naam te verankeren aan een taxon. |
| |
| intergetijdengebied: |
het gebied tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn |
| |
| mantel: |
huidplooi die het lichaam omhult en op die manier de lichaamsholte beschermt; bij veel weekdieren vormt de mantel de schelp |
| |
| metabolieten: |
Strikt genomen zijn metabolieten de producten van stofwisselingsprocessen. De term metabolieten wordt echter meestal alleen gebruikt voor kleine moleculen, zoals glucose en aminozuren. Er wordt soms ook een onderscheid gemaakt tussen primair en secundaire metabolieten. Secundaire metabolieten zijn niet noodzakelijk voor het overleven van het organisme, maar dragen wel bij tot zijn overlevingskansen. |
| |
| monofyletisch: |
In de biologie, en in het bijzonder de taxonomie, noemt men een groepering van organismen (een taxon) monofyletisch of holofyletisch, als aangenomen mag worden, dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle tot die groep behorende organismen zelf ook tot het taxon behoort of alle afstammelingen ervan in de groep geplaatst zijn. |
| |
| nematocyst: |
netelcel |
| |
| pallium: |
mantel |
| |
| parapodia: |
vleugelachtige uitsteeksels aan beide zijden van het lichaam, die gebruikt worden om zich voort te bewegen en te ademen |
| |
| planktotrofisch: |
kort ei-stadium => lang planktonisch larvaal stadium => vestiging op substraat of bodem |
| |
| radula: |
rasptong, bestaande uit een combinatie van een groot aantal horizontale rijen minuscule tandjes |
| |
| rinophoren: |
de twee uitsteeksels boven op de kop van de naaktslak:sterk ontwikkelde reukorganen waarmee ze voedsel en een partner zoeken reuksprieten |
| |
| spicule: |
een benige uitwas |
| |
| sublitoraal: |
het gebied dat altijd onder water staat |
| |
| veliger: |
planktonische larve, voorkomend bij een aantal tweekleppigen met een planktotrofische of lecithotrofische ontwikkeling, die voorzien is van een flap met trilharen (velum), een schelp (prodissoconch, ook wel veliconch genoemd) en een voet |
| |
| voet: |
De voet is bij de weekdieren goed ontwikkeld en bezit stevige spieren. Met de voet kunnen naaktslakken kruipen. |
| |
| zoöxantellen: |
Zoöxantellen zijn ééncellige bruinalgen en hebben een belangrijke functie op het rif. Zij leven met miljoenen binnen het lichaamsweefsel van vele zeedieren met inbegrip van doopvontschelpen, naaktslakken en kwallen. Maar je vindt ze vooral met grote concentraties in de tentakels van koraalpoliepen. Door fotosynthese produceren zoöxantellen voldoende suikers om nog wat te delen met hun gastheer. In ruil helpt de gastheer bij de groei van de zoöxantellen door een deel van zijn opgeloste organische afval door te geven. Meestal kan het gastdier niet overleven, wanneer de zoöxantellen niet aanwezig zijn. De bruinalgen bepalen meestal ook de kleuren van hun gastheer. |
| |