Naaktslakken

 








Voeg deze pagina toe aan je RSS-reader

Add to Google

Aeolidia papillosa

(Linnaeus, 1761 )

Aeolidia papillosa
Deze foto werd genomen door Patrick Van Moer 27 maart 2003 in de Oosterschelde.

Nederlandse benaming: Grote vlokslak
Vlokkige zeenaaktslak

Engelse benaming: Shag-rug aeolis
Plumed aeolis
Maned nudibranch
Common grey sea slug

   
Suborde: Aeolidacea (Draadslakken)

Familie: Aeolidiidae (Vlokslakken)

   
Omschrijving: Gewoonlijk lijkt deze grote, brede naaktslak op het eerste zicht grijs dankzij bruine of grijze gepigmenteerde vlekjes, maar de kleur is erg variabel van bruin tot violetachtig en grote exemplaren zijn vaak wat donkerder dan jonge. Meestal is er een V-vormige markering vooraan op het hoofd met de basis tussen de rinophoren en de armen in de richting van de mondtentakels. De rhinophoren zijn kleiner dan de mondtentakels en staan dicht bij elkaar. Beiden worden van onder naar boven geleidelijk smaller en hebben witte punten. De papillen zijn een beetje afgeplat, staan in dichte rijen op elkaar en beginnen vóór de rinophoren. De papil-inhoud is grijs, geel of roodachtig afhankelijk van de kleur van de anemoonsoort die de slak net heeft gegeten. De voet heeft afgeronde hoeken en is vooraan spits van vorm.

Lijkt op: De Grote vlokslak (A. papillosa) is relatief groter dan de Kleine vlokslak (Aeolidiella glauca). A. papillosa komt het meeste voor in getijdewater. Ook A. glauca vind je hier maar dan vooral in lente, zomer en de vroege herfst maar minder talrijk. In niet-getijdewater zie je A. glauca dan weer veel vaker dan A. papillosa. Kleine A. papillosa exemplaren verschillen van Aeolidiella glauca door het ontbreken van een oranje schijn op de kop. De eieren verschillen van die van de Kleine vlokslak door hun sterk gekronkelde uiterlijk. Ook de periode van eiafzetting is anders. Bij Aeolidiella glauca staan de papillen in duidelijke rijen.

Lengte: 120 mm

Voortplanting: Als ze zo'n 50 à 60 mm lang is, wordt A. papillosa volwassen en begint ze eitjes af te zetten. In de Oosterschelde vind je de eiersnoeren van januari tot mei en soms tot juni en juli, meestal in de buurt van anemonen. Het meest opvallende kenmerk van de eiermassa is de manier waarop het lint is opgedeeld in stukjes, een beetje zoals een reeks worstjes. De kleur van de eieren varieert van wit tot roos en oranje.

Voedsel: Anemonen met een voorkeur voor zee-anjelieren

Leefgebied: Vanaf juni jonge slakjes in het sublittoraal en in het najaar tot in de getijdenzone
Volwassen exemplaren tot 800m

   
Verspreiding: Vrij algemeen in bijna alle wateren van het noordelijk halfrond
Regelmatig te bewonderen in de Oosterschelde

   
Informatiebronnen:
http://www.seaslug.org.uk
http://www.snotolf.nl
http://slugsite.us
http://www.seaslugforum.net
http://www.anemoon.org
http://www.soortenbank.nl


   


 
 
Deze website werd voor het laatst bijgewerkt op 03-09-09.
© Natasja Vandeperre