Naaktslakken

 








Voeg deze pagina toe aan je RSS-reader

Add to Google

Facelina bostoniensis

(Couthouy, 1838)

Facelina bostoniensis is een vrij brede, doorgaans aktieve slak met lange, slanke papillen, die in duidelijke groepjes (vier tot acht) bijeen staan. Vooral de voorste papillen zijn erg lang. De koptentakels zijn zeer lang, tot bijna de helft van de totale lichaamslengte. De voetpunten zijn tentakelvormig uitgetrokken, de rhinophoren dragen duidelijke lamellen.
Facelina bostoniensis
Deze foto werd genomen door Patrick Van Moer 9 augustus 2005 in de Oosterschelde.

Nederlandse benaming: Brede ringsprietslak

Engelse benaming: Facelina

   
Suborde: Aeolidacea (Draadslakken)

Familie: Facelinidae (Ringsprietslakken)

   
Omschrijving: Het lichaam is kleurloos tot lichtgeel, soms wit met een roze gloed. De papillen hebben vaak een rode inhoud - soms alleen aan de basis of de top, waarbij de rest dan bruin gekleurd is; soms zijn de papillen gewoon helemaal bruin of grijs en zelfs groen komt voor. Toppen vaak wit, of er is een witte band vlak onder de top zichtbaar. Basis en top van mondtentakels kunnen ook geel tot wit zijn. De rhinophoren zijn heel duidelijk geringd. De kruipvoet is breder dan het lichaam. De mondflap heeft een stel korte tentakelachtige uitsteeksels. Een witte streep op de staart komt voor.

Lijkt op: Verschilt van de Slanke waaierslak (Coryphella gracilis) door de gelamelleerde rhinophoren, het ontbreken van een helderrode papilinhoud (een roodachtige papilinhoud neigt meer naar oranje bij Facelina), de roodachtige kleur in de kop rond de kaken, en de zeer lange koptentakels. Enkele malen is in de Oosterschelde de Slanke ring-sprietslak (Facelina coronata) gevonden. Deze heeft kortere, blauwachtige papillen. De voorste papillen zijn zo kort, dat een deel van de rug daarachter kaal is.

Lengte: 55 mm

Voortplanting: Jonge en oudere slakken worden het hele jaar door gevonden, eierstrengen in januari en van mei t/m november. Het eisnoer vormt een los gekronkelde spiraal.

Voedsel: Hydroïdpoliepen, zoals Dynamene pumila , Clytia hemisphaerica , Obelia dichotoma en Tubularia soorten

Leefgebied: In het intergetijdengebied tot op 120 m diepte gevonden. De dieren hebben een voorkeur voor plaatsen met een sterke getijdestroming.

   
Verspreiding: Beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan. Aan de Europese kant van halverwege de Noorse kust tot Zuid-Spanje en in de Middellandse Zee. Merkwaardig: wordt bij de Britse Eilanden niet gevonden inhet zuidoosten.
Geregeld te vinden, soms algemeen in de zeegaten van de Waddenzee, de monding van de Ooster- en Westerschelde en in de Noordzee op de wrakken.

   
Informatiebronnen:
http://www.soortenbank.nl
http://www.anemoon.org


   


 
 
Deze website werd voor het laatst bijgewerkt op 03-09-09.
© Natasja Vandeperre