Coryphella gracilis(Alder & Hancock, 1844)
|
| Coryphella gracilis is een slanke, vrij snel kruipende slak met gladde slanke uitsteeksels (papillen) op de rug. De papillen voor het hart staan in een groep, min of meer afzonderlijk van de groep papillen achter het hart. De voorzijde van de voet is aan beide kanten zijwaarts puntig uitgetrokken. De koptentakels zijn lang en slank. |
Deze foto werd genomen door Patrick Van Moer 9 april 2004 in Goes, Oosterschelde.
|
Alternatieve benaming:
|
Coryphella smaragdina (Alder & Hancock, 1851) Flabellina gracilis Coryphella verrucosa smaragdina
|
| Nederlandse benaming: |
Slanke waaierslak, Luciferslak
|
| Engelse benaming: |
Slender eolis
|
| |
|
| Suborde: |
Aeolidacea (Draadslakken)
|
| Familie: |
Flabellinidae (Waaierslakken)
|
| |
|
| Omschrijving: |
De inhoud van de papillen is meestal helder rood, soms bruinachtig of groen, de top is wit. Het lichaam is transparant of witachtig. Vaak is witte pigmentering aanwezig op de koptentakels, de reuksprieten (rhinophoren) en de staartpunt. De anus bevindt zich tussen het tweede en het derde bosje cerata.
|
| Lengte: |
20 mm
|
| Voortplanting: |
De slakken kunnen eieren leggen vanaf dat ze 11 mm lang zijn. In de Oosterschelde gebeurt dit enkel in mei. De eieren vormen een gekronkelde streng, meestal afgezet in Eudendrium.
|
| Voedsel: |
hydroïdpoliepen van de geslachten Eudendrium, Clytia en Halecium
|
| Verdediging: |
Ze slaan de netelcellen van hun prooien op in de punten van de cerata.
|
| Leefgebied: |
op hard substraat van het intergetijdengebied tot mogelijk 300m diep
|
| |
|
| Verspreiding: |
Oosterschelde van maart tot augustus, en ook in november en december; Noordelijke Atlantische Oceaan, van Groenland en IJsland, Noorwegen, Britse Eilanden, en Oostzee tot de Golf van Biskaje,en ook aan de oostkust van de Verenigde Staten
|
| |
|
| Informatiebronnen: |
Flora en fauna van de zee (Rob Leewis) http://www.soortenbank.nl http://www.anemoon.org
|
| |
|
|